Bom. Bij een dik woord
hoort een ronde man. En dan Pa, zoals
‘hmpf’ over je buik wrijven als je teveel gegeten hebt. Bompa. Onzen bompa, als
de timmerman Jozef geboren maar hij liep niet zo hoog op met die naam. Met de katholieken evenmin trouwens. Jos
of Jef zoals het op zijn jat stond en zeker, zeker niet opa. Opa’s waren voor hem benige mannetjes, knikkend en knokig, en
bezig, altijd maar bezig : vogels
voederen, hagen snoeien,vishengels werpen,
biljarten en schoffelen in de tuin. Opa’s zijn dat soort mensen dat soms
durven te twijfelen aan zichzelf. Ze
zijn er niet heilig van overtuigd de hele waarheid in pacht te hebben. Hij wel, hoor! Hij wel. Een opa, dat kan
je soms zien op de bus of op den tram. Opa’s fietsen. Ze genieten daar precies
ook van. Bompa’s niet. Bompa’s zijn rotsachtige formaties die met een dure auto
rijden. Ze geven nooit op of af of toe. Ze eten allebei wel even graag
patatten.
Hij werd zo enorm
in de jaren ’60. Tijdens de oorlogsjaren viel er niet veel te eten, buiten kat
en blik en korsten, waarna hij besloten had om zich later nooit meer iets te
ontzeggen, met alle gevolgen van dien
natuurlijk , een te hoge suiker, een lever die niet goed meer marcheerde en een
dichtgeslibd hart. Patat.
Ik denk de laatste
tijd terug veel aan hem. De herinneringen dwalen rond in mijne kop. Ze willen
eruit, naar buiten.
Wazig, dan terug haarscherp. De Chevrolet, zijn enorme Amerikaanse slee.
Die in een speciale garage een straat
verder stond geparkeerd, met een plastieken hoes eroverheen. De Chevrolet werd enkel
bij bijzondere gelegenheden van zijn stal gehaald.
De mensen keken er
dan naar.“Kijkt,” zeiden ze dan, “den
doktoor glijdt nog is over ‘t straat.”
En dan dat interieur: roze ribfluwelen zetels om kilometers in weg te zakken, het stuur bekleedt met donkerbruin leder. De
geur van cognac en zwaar parfum. Zijn parfum. 4711. Waarvan wij vonden dat het
naar paarden rook, maar naar goede paarden. Naar cowboys in de Far West. Zijn haren naar achter. Glinsterende
brillantine. James Bompa.
Klik. De volgende
dia. Hun keuken. Altijd bedompt. Koperkleurige pannen. Oranje gelige gloed. De
rode zetel met blinkende noppen waarachter hun fortuin zat, of toch allerlei andere zeer geheime dingen
die wij niet mochten weten. De groene kist met cijferslot. Briefkes. Geld
en geld en geld. En dan op de tafel, de stinkende uitgerafelde schotelvod die
al minstens tien jaar dienst deed.
De misselijkmakende paradox, die ons leven
toen zo eigen was.
Zo gulzig als ze
waren met geld, zo zuinig met liefkozingen.
En zo smerig, zo
smerig dat daar was, zo afschuwelijk tragikomisch smerig. Zure soep. Zelfs de
uitgehongerde kat moet er niet van.
Hij begon te wandelen als een astronaut. Zijn voeten waren op het
eind vier keer zo groot geworden. Enkel zweefde hij niet. Hij zat in de luchtbel van de keuken. Dag in dag uit
vastgkluisterd aan dat eindeloze gejank op tv. Ne dikke mens lijkt precies nog
opvallender onderhevig aan de zwaartekracht.
Hij kroop
altijd in de verste uithoeken van het
huis. Wetende dat het voor hem niet was weggelegd. Een poging om zich aan zijn
lot te ontrekken. ( Het was alsof ze hem hadden gezegd. Ge moogt één iets
wensen : En dan had hij gewenst : Nooit meer honger hebben. Gelukkig zijn komt
er later wel bij.) De wurggreep van zijn
verstandshuwelijk. De zolderkamer met boeken en druipkaarsen. Het kon er gewoon
niet meer bij, dat geluk, het
zat al te vol.
Gilde als een
speenvarken wanneer de verpleegsters zijn luier verversten. Hij was toen al
leeggelopen als een ballon. Bompa weg. Ook geen opa , ofzo. Nee, gewoon,
een lijk.
Zijn tang. Zijn
wurgslang. Kromgebogen, ijzersterk. Hard, koel. Onverwoestbaar. En dat voor
zo’n klein oud menske.
Onweer. Hij wil niet meer eten. Alleen nog cava drinken. Mantra : CAAA-VAAA.
(Mag niet, verpleegsters).
Twee dagen later waren zijn handen
aan de spijlen van het bed vastgeklonken.
Soldaat. Angst.
Vierentachtig en doodsbang om te sterven. Terwijl eigenlijk : oude mensen
sterven. Dat is toch normaal. Tot als ge daar zelf ligt natuurlijk.
Grootvader.
Brulboei. Maar ook zacht, veel en veel zachter dan zij.
De schimmels in de
kasten. De pis, de sporen op de oranje tegels. Ze leiden naar hun vochtige, lekkende lichamen.
Indringende, allesoverheersende stank.
“Wij hebben hier nog nooit zoiets gezien.” De verpleegsters, ze zijn aan het
reclameren.
Hij was blijven
drinken. Glazen, kroezen, vaten en kelders vol, het ging er allemaal in. Nu is
het lichaam overal. Hij kan er niet meer uit. Hij voelt niks. Hij is pijn. Eens
zeurend ,dan weer ondragelijk . Bevend naar het glas, de kelk rode wijn. Er is
niks schoon meer aan , de doodzieke kakt in zijn broek. Doet zijn ogen dicht.
Houdt zijn adem in en laat hem dan ontsnappen. Ophouden. Laat het
alstublieft gewoon ophouden.
Hij zit. De nacht
is slecht. Hij zit. De televisie speelt. Buiten schiet de dag in gang. Opstand
in Iran. Hij zit. Het brood smaakt hem niet. De vrouw scharrelt, moppert,
rommelt met papieren. De slaap komt. Hij kan zich niet lekker leggen. Hij zit.
Er komt iemand binnen, de muren zijn van gebroken wit. Er is ook veel hout in
de kamer. Hij zit. De dag duurt lang. De poes is lastig.
Het einde, dat is
praktisch hetzelfde als het begin, maar dan veel vuiler.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten