Populaire berichten

woensdag 29 mei 2013

over hoe de dood in bompa kroop


Bom. Bij een dik woord hoort een ronde man.  En dan Pa, zoals ‘hmpf’ over je buik wrijven als je teveel gegeten hebt. Bompa. Onzen bompa, als de timmerman Jozef geboren maar hij liep niet zo hoog op met die naam. Met de katholieken evenmin trouwens. Jos of Jef zoals het op zijn jat stond en zeker, zeker niet opa.                Opa’s waren voor hem  benige mannetjes, knikkend en knokig, en bezig, altijd maar bezig :  vogels voederen,  hagen snoeien,vishengels werpen, biljarten en schoffelen in de tuin. Opa’s zijn dat soort mensen dat soms durven  te twijfelen aan zichzelf.  Ze zijn er niet heilig van overtuigd de hele waarheid in pacht te hebben. Hij wel, hoor! Hij wel. Een opa, dat kan je soms zien op de bus of op den tram. Opa’s fietsen. Ze genieten daar precies ook van. Bompa’s niet. Bompa’s zijn rotsachtige formaties die met een dure auto rijden. Ze geven nooit op of af of toe. Ze eten allebei wel even graag patatten.


Hij werd zo enorm in de jaren ’60. Tijdens de oorlogsjaren viel er niet veel te eten, buiten kat en blik en korsten, waarna hij besloten had om zich later nooit meer iets te ontzeggen, met alle  gevolgen van dien natuurlijk , een te hoge suiker, een lever die niet goed meer marcheerde en een dichtgeslibd hart.  Patat.
Ik denk de laatste tijd terug veel aan hem. De herinneringen dwalen rond in mijne kop. Ze willen eruit, naar buiten.

Wazig, dan terug haarscherp. De Chevrolet, zijn enorme Amerikaanse slee. Die in een speciale garage  een straat verder stond geparkeerd, met een plastieken hoes eroverheen. De Chevrolet werd enkel bij bijzondere gelegenheden van zijn stal gehaald.  
De mensen keken er dan naar.“Kijkt,” zeiden ze dan,  “den doktoor glijdt nog is over ‘t straat.” En dan dat interieur: roze ribfluwelen zetels om  kilometers in weg te zakken,  het stuur bekleedt met donkerbruin leder. De geur van cognac en zwaar parfum. Zijn parfum. 4711. Waarvan wij vonden dat het naar paarden rook, maar naar goede paarden. Naar cowboys in de Far West. Zijn haren naar achter. Glinsterende brillantine. James Bompa.  

Klik. De volgende dia. Hun keuken. Altijd bedompt. Koperkleurige pannen. Oranje gelige gloed. De rode zetel met blinkende noppen waarachter hun fortuin zat, of toch allerlei andere zeer geheime dingen die wij niet mochten weten. De groene kist met cijferslot. Briefkes. Geld en geld en geld. En dan op de tafel, de stinkende uitgerafelde schotelvod die al minstens tien jaar dienst deed.
 De misselijkmakende paradox, die ons leven toen zo eigen was. 
Zo gulzig als ze waren met geld, zo zuinig met liefkozingen.
En zo smerig, zo smerig dat daar was, zo afschuwelijk tragikomisch smerig. Zure soep. Zelfs de uitgehongerde kat moet er niet van.

 Hij begon te wandelen  als een astronaut. Zijn voeten waren op het eind vier keer zo groot geworden. Enkel zweefde hij niet. Hij zat  in de luchtbel van de keuken. Dag in dag uit vastgkluisterd aan dat eindeloze gejank op tv. Ne dikke mens lijkt precies nog opvallender onderhevig aan de zwaartekracht.
Hij kroop altijd  in de verste uithoeken van het huis. Wetende dat het voor hem niet was weggelegd. Een poging om zich aan zijn lot te ontrekken. ( Het was alsof ze hem hadden gezegd. Ge moogt één iets wensen : En dan had hij gewenst : Nooit meer honger hebben. Gelukkig zijn komt er later wel bij.)  De wurggreep van zijn verstandshuwelijk. De zolderkamer met boeken en druipkaarsen. Het kon er gewoon niet meer bij, dat geluk, het zat al te vol.

Gilde als een speenvarken wanneer de verpleegsters zijn luier verversten. Hij was toen al leeggelopen als een ballon. Bompa weg. Ook geen opa , ofzo. Nee, gewoon, een  lijk.
Zijn tang. Zijn wurgslang. Kromgebogen, ijzersterk. Hard, koel. Onverwoestbaar. En dat voor zo’n klein oud menske.
Onweer. Hij wil niet meer eten. Alleen nog cava drinken. Mantra : CAAA-VAAA. (Mag niet, verpleegsters).
Twee dagen later waren  zijn handen aan de spijlen van het bed vastgeklonken.
Soldaat. Angst. Vierentachtig en doodsbang om te sterven. Terwijl eigenlijk : oude mensen sterven. Dat is toch normaal. Tot als ge daar zelf ligt natuurlijk.
Grootvader. Brulboei. Maar ook zacht, veel en veel zachter dan zij.
De schimmels in de kasten. De pis, de sporen op de oranje tegels.  Ze leiden naar hun vochtige, lekkende lichamen. Indringende, allesoverheersende stank.

“Wij hebben hier nog nooit zoiets gezien.” De verpleegsters, ze zijn aan het reclameren.

Hij was blijven drinken. Glazen, kroezen, vaten en kelders vol, het ging er allemaal in. Nu is het lichaam overal. Hij kan er niet meer uit. Hij voelt niks. Hij is pijn. Eens zeurend ,dan weer ondragelijk . Bevend naar het glas, de kelk rode wijn. Er is niks schoon meer aan , de doodzieke kakt in zijn broek. Doet zijn ogen dicht. Houdt zijn adem in en laat hem dan ontsnappen. Ophouden. Laat het alstublieft gewoon ophouden.


Hij zit. De nacht is slecht. Hij zit. De televisie speelt. Buiten schiet de dag in gang. Opstand in Iran. Hij zit. Het brood smaakt hem niet. De vrouw scharrelt, moppert, rommelt met papieren. De slaap komt. Hij kan zich niet lekker leggen. Hij zit. Er komt iemand binnen, de muren zijn van gebroken wit. Er is ook veel hout in de kamer. Hij zit. De dag duurt lang. De poes is lastig.
Het einde, dat is praktisch hetzelfde als het begin, maar dan veel vuiler.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten