Populaire berichten

maandag 5 februari 2018

Rovers ritselen in de struiken.


Rovers ritselen in de struiken.

Concept: drie weken werken rond een thema, week 4: (ten)toon(stellings)moment. Opzoeken, zelf bedenken en maken, ervaren.

Tijdreisbureau:
-top 10 belangrijke uitvindingen (eventueel met verschillende leeftijdscategorieën, bv. grootouders en kleinkinderen vertellen wat zij de belangrijke uitvinding vinden)
-> eventueel een soort discussie/debat : argumenteren waarom jouw uitvinding het meest belangrijk is
-knotsgekke uitvindingen en blunders uit het verleden opzoeken en vertellen aan elkaar.
-vrouwendag: vrouwelijke wetenschappers in de kijker: bij welke wetenschapper pas jij het best?
-Wie zei wat? bekende wetenschappelijke quotes opzoeken-> drukken op postkaartjes?

Wereld vol wetenschap:
-"Lifehacks": opzoeken en uittesten + vlog maken
-Robotrecup: knutselen met recuperatiemateriaal
-poëzie en wetenschap: gedichten maken op 'wetenschappelijke wijze' (met formules, sommen, vergelijkingen...)
-spel Bibster

Toekomstatelier:
-Hoe leven wij in 2048? Tekeningen, collages maken, 'futurisme'
-Debat over enkele wetenschappelijk-morele hangijzers
- Fragmenten uit utopische en dystopische romans voorlezen

AVM afdeling
Zee van klanken -> Artforum Geleidende Geluiden

-fictiefilms over wetenschap(pers) in de kijker
-muziek:
-muziekinstrumenten zelf bouwen? (recup)
-Hoe werkt geluid?
-Met muziekprogramma op de computer leren werken
-Dierengeluiden en hun functie








donderdag 1 januari 2015

nieuwjaarsvers


eeuhm eu excuseer?

kruip in de pels
allerzachtst kousenvoet bungelend
ijle kijken gij uilskuiken
met je vingers de warme huid ademwasem
opgekruld
het jaar vermorst
de baten gekost
de kloppende korst

bent u van hier?

zie mij hier nu toch liggen godverdoeme

ja ik denk het wel

rechtzitten liggen rechtzitten
uitzitten

excuseer?

aan den terminus kunt ge uitstappen
geen bloemenmeisjes gewoontjes maar toch anders
toch nog meer uzelf
naar huis rennen


ik ken de weg hier niet
ik ken de weg hier ook niet
ik was op weg en toen
ben ik van het pad gesukkeld

maar hier is mijn vacht
ik ga u laten




zaterdag 27 december 2014

helmgras



het is een bijzonder mooie dag
op het eiland in mijn droom
de zon schijnt hoog
het water woest water
er zijn vissen
het gras is fijn
ik doe mijn armen open
er vallen allemaal blije mensen in
ze vallen heel hard
op mij
het doet heel veel pijn
want nu is
elke dag de eerste dag en elke avond de laatste nacht
hij heeft de zee in zijn hand gevouwen
en ik neem mee het zand

alles wordt opgeblazen
de zee, het zand

de zon schijnt woest over het water
het gras is fijn er zitten vissen in
ze vallen in mijn armen
ze vallen heel zacht
op mij
het doet heel veel pijn
elke nacht is de eerste nacht
hij heeft zijn hand in het zand gevouwen
en ik neem mee
het eiland
in mijn droom

blaas op vis hoor zee nie meer



woensdag 12 juni 2013

de dag met de tomaten



zijn tomaten komen uit.
hij loopt op een drafje
de trap op en af.
armen kaars in de lucht.
joélen.

hip hip. wij zijn twintig jaar. vieren de geboorte
van onze eerste tomaat.

later in 't grotemensenbed.
zie je me graag?                         -ja

waarom dan?                        -weet ik toch niet

zie je me niet te?                     -jaahaa, VEEL TE

                   we grijzen zo van je liefste stommerik


woensdag 29 mei 2013

over hoe de dood in bompa kroop


Bom. Bij een dik woord hoort een ronde man.  En dan Pa, zoals ‘hmpf’ over je buik wrijven als je teveel gegeten hebt. Bompa. Onzen bompa, als de timmerman Jozef geboren maar hij liep niet zo hoog op met die naam. Met de katholieken evenmin trouwens. Jos of Jef zoals het op zijn jat stond en zeker, zeker niet opa.                Opa’s waren voor hem  benige mannetjes, knikkend en knokig, en bezig, altijd maar bezig :  vogels voederen,  hagen snoeien,vishengels werpen, biljarten en schoffelen in de tuin. Opa’s zijn dat soort mensen dat soms durven  te twijfelen aan zichzelf.  Ze zijn er niet heilig van overtuigd de hele waarheid in pacht te hebben. Hij wel, hoor! Hij wel. Een opa, dat kan je soms zien op de bus of op den tram. Opa’s fietsen. Ze genieten daar precies ook van. Bompa’s niet. Bompa’s zijn rotsachtige formaties die met een dure auto rijden. Ze geven nooit op of af of toe. Ze eten allebei wel even graag patatten.


Hij werd zo enorm in de jaren ’60. Tijdens de oorlogsjaren viel er niet veel te eten, buiten kat en blik en korsten, waarna hij besloten had om zich later nooit meer iets te ontzeggen, met alle  gevolgen van dien natuurlijk , een te hoge suiker, een lever die niet goed meer marcheerde en een dichtgeslibd hart.  Patat.
Ik denk de laatste tijd terug veel aan hem. De herinneringen dwalen rond in mijne kop. Ze willen eruit, naar buiten.

Wazig, dan terug haarscherp. De Chevrolet, zijn enorme Amerikaanse slee. Die in een speciale garage  een straat verder stond geparkeerd, met een plastieken hoes eroverheen. De Chevrolet werd enkel bij bijzondere gelegenheden van zijn stal gehaald.  
De mensen keken er dan naar.“Kijkt,” zeiden ze dan,  “den doktoor glijdt nog is over ‘t straat.” En dan dat interieur: roze ribfluwelen zetels om  kilometers in weg te zakken,  het stuur bekleedt met donkerbruin leder. De geur van cognac en zwaar parfum. Zijn parfum. 4711. Waarvan wij vonden dat het naar paarden rook, maar naar goede paarden. Naar cowboys in de Far West. Zijn haren naar achter. Glinsterende brillantine. James Bompa.  

Klik. De volgende dia. Hun keuken. Altijd bedompt. Koperkleurige pannen. Oranje gelige gloed. De rode zetel met blinkende noppen waarachter hun fortuin zat, of toch allerlei andere zeer geheime dingen die wij niet mochten weten. De groene kist met cijferslot. Briefkes. Geld en geld en geld. En dan op de tafel, de stinkende uitgerafelde schotelvod die al minstens tien jaar dienst deed.
 De misselijkmakende paradox, die ons leven toen zo eigen was. 
Zo gulzig als ze waren met geld, zo zuinig met liefkozingen.
En zo smerig, zo smerig dat daar was, zo afschuwelijk tragikomisch smerig. Zure soep. Zelfs de uitgehongerde kat moet er niet van.

 Hij begon te wandelen  als een astronaut. Zijn voeten waren op het eind vier keer zo groot geworden. Enkel zweefde hij niet. Hij zat  in de luchtbel van de keuken. Dag in dag uit vastgkluisterd aan dat eindeloze gejank op tv. Ne dikke mens lijkt precies nog opvallender onderhevig aan de zwaartekracht.
Hij kroop altijd  in de verste uithoeken van het huis. Wetende dat het voor hem niet was weggelegd. Een poging om zich aan zijn lot te ontrekken. ( Het was alsof ze hem hadden gezegd. Ge moogt één iets wensen : En dan had hij gewenst : Nooit meer honger hebben. Gelukkig zijn komt er later wel bij.)  De wurggreep van zijn verstandshuwelijk. De zolderkamer met boeken en druipkaarsen. Het kon er gewoon niet meer bij, dat geluk, het zat al te vol.

Gilde als een speenvarken wanneer de verpleegsters zijn luier verversten. Hij was toen al leeggelopen als een ballon. Bompa weg. Ook geen opa , ofzo. Nee, gewoon, een  lijk.
Zijn tang. Zijn wurgslang. Kromgebogen, ijzersterk. Hard, koel. Onverwoestbaar. En dat voor zo’n klein oud menske.
Onweer. Hij wil niet meer eten. Alleen nog cava drinken. Mantra : CAAA-VAAA. (Mag niet, verpleegsters).
Twee dagen later waren  zijn handen aan de spijlen van het bed vastgeklonken.
Soldaat. Angst. Vierentachtig en doodsbang om te sterven. Terwijl eigenlijk : oude mensen sterven. Dat is toch normaal. Tot als ge daar zelf ligt natuurlijk.
Grootvader. Brulboei. Maar ook zacht, veel en veel zachter dan zij.
De schimmels in de kasten. De pis, de sporen op de oranje tegels.  Ze leiden naar hun vochtige, lekkende lichamen. Indringende, allesoverheersende stank.

“Wij hebben hier nog nooit zoiets gezien.” De verpleegsters, ze zijn aan het reclameren.

Hij was blijven drinken. Glazen, kroezen, vaten en kelders vol, het ging er allemaal in. Nu is het lichaam overal. Hij kan er niet meer uit. Hij voelt niks. Hij is pijn. Eens zeurend ,dan weer ondragelijk . Bevend naar het glas, de kelk rode wijn. Er is niks schoon meer aan , de doodzieke kakt in zijn broek. Doet zijn ogen dicht. Houdt zijn adem in en laat hem dan ontsnappen. Ophouden. Laat het alstublieft gewoon ophouden.


Hij zit. De nacht is slecht. Hij zit. De televisie speelt. Buiten schiet de dag in gang. Opstand in Iran. Hij zit. Het brood smaakt hem niet. De vrouw scharrelt, moppert, rommelt met papieren. De slaap komt. Hij kan zich niet lekker leggen. Hij zit. Er komt iemand binnen, de muren zijn van gebroken wit. Er is ook veel hout in de kamer. Hij zit. De dag duurt lang. De poes is lastig.
Het einde, dat is praktisch hetzelfde als het begin, maar dan veel vuiler.


woensdag 3 april 2013

Oude brieven verkreukelen niet. 1. het was die tijd







Het was die tijd die ik me herinnerde, niet een tijd die ik bij bewustzijn meemaakte, maar een hogere, diepere tijd, die mezelf maar ook al hetgene in de omgeving tot een nietige vlek herleidde, wat mij rustig maakte, en ik hoopte dat alles zou stilvallen, het boren in de straat en het vloeien van olie in de zee. Het struikelen van een wegenwerker over een bol kabels. vlekkerig licht. en kalmte. 

Soms zit heel de wereld in mijn kop.

Ik denk aan de relativiteit van tijd, van geluk, van ontgoocheling. relativeren is iets fascinerend, wonderlijk en levensgevaarlijk tegelijkertijd. aan leven op zich, sommige mensen kopen een boomhut met luxebadkamer in een beschermd oerwoud om dat terug te voelen. aan woorden als harmonie en essentie. In hun pure vorm heb ik ze nog nooit gezien.

Wat maakt ons tot mens? dat is het liefhebben niet, want de zee heeft het zand liever en hun wederkerigheid verloopt nooit per contract. Het is belangrijk, geloof ik, dat wij elkaar begrijpen, zonder daarom dezelfde richting uit te keren, mekaar verstaan, zonder dezelfde taal te spreken. de bedoeling en betekenis komt dan vanzelf. Ik hecht aan het zwerven, maar de stad loopt mij sneller voorbij, al vind ik dat niet erg. bij mijn tijd voel ik ontreddering. kompas, dat wel cirkelt, maar het noorden kwijt is. dat heb je met wijsheid die uit geschiedenisboeken komt. Misschien ben ik zeer burgerlijk, dat kan ook.


dinsdag 26 februari 2013

luchthaven 1602


ik heb het benauwd
mijn adem zit ergens halverwege
het strot
stottert en stopt.
uitgerekte zwijg.

ik zwijg als kale bomen.
Mijn Russische zwijg met zware donkere wenkbrauwen
Kwam er maar een trein.
mijn ogen lopen naar de deur en houden de klink al fixerend vast.
Ik kan héél goed weglopen. Maar nu spijkeren de woorden mij aan de deur
vast. Vechtjas aantrekken. Ik heb geen zin.  Dof en stom en kijk
alsof ik haar voor het eerst zie, alsof ik haar taal niet begrijp, alsof ik hoegenaamd
geen idee heb van waar of waarom ik ben.
Dat mag niet hoor, zo mag je niet doen. Ze morrelt
aan de draad die ons bindt, die uitgerafeld is nu, rag rag fijn, en,  als ik nu omdraai :
doorgeknipt.
Kan het nog. Of. (met die O van't verschieten daarin en wat ge-ffffffff).
grimas, ten hoogste.
zo elegant mogelijk, dat wel. Hoge hakken, zuinig mondje. Dag schat heb je nog wat
doekjes, beetje gif, terug doekjes

en dan nog later : het grieven


Zo denk ik, dat hoeft allemaal niet als ik nu niet vertrek, als ik nu blijf.
Slik stotterstop door. Kijk naar haar, zak in haar blik
doorzoek : control FFFff
(naar wat? genegenheid?)
misschien
dat
het
dan